Ziet de bedrijfsarts meer of minder middengroepen?

Uit KoM-nieuwsbrief 8 september 2015

ARBEIDSMARKT EN WERKGELEGENHEID DE KOMENDE JAREN

In het middensegment van de arbeidsmarkt is de werkgelegenheid gedaald. Middelbaar opgeleide werknemers wijken relatief vaker uit naar banen aan de onderkant. Het Centraal Planbureau constateert dit in haar studie over “banenpolarisatie”. De trends zijn in Nederland nu bescheiden in vergelijking met elders. Is er toch betekenis voor bedrijfsgezondheidszorg?

Aannemelijk is dat de vraag naar laag- versus middelbaar/hoogopgeleiden zich ontwikkelt als nu. Routinematige taken worden steeds meer door technologie overgenomen. Vanuit dat toekomstscenario publiceerden het CPB en het Sociaal Cultureel Planbureau een gezamenlijk onderzoek “De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025”. De loonongelijkheid neemt volgens hen verder toe, en er dreigt een groter werkloosheidsverschil. Overheidsbeleid wil door de Participatiewet en de Wet Werk en Zekerheid de nadelen beperken, en richt zich verder vooral op ‘de onderkant’. Het kabinet werkt een gericht loonkostenvoordeel uit zodat het aantrekkelijker is mensen met een laag inkomen in dienst te nemen.

Bedrijfsartsen en andere arbodeskundigen zien waarschijnlijk al lang een minder aantal middengroepen in de spreekkamers en op de werkvloer. De vraag is wat de trend betekent voor hun inzet.

De eerstkomende jaren krijgt de groep werknemers met alleen een havo- of vwo-opleiding het moeilijker, ze zakt af richting banen met een dalend toekomstperspectief. Deze mensen hebben na de middelbare school geen beroepsopleiding afgemaakt. Het gaat om 200.000 mensen in de leeftijdscategorie 25-44 jaar. Ze staan voor de opgave om hun inzetbaarheid te vergroten door ten minste een mbo-4 of zelfs een hbo-opleiding te doen of op een andere manier zo’n niveau te bereiken. Er is te beredeneren dat steun daartoe voor hun werkgever rendabel is.

Er zijn ruim 800.000 mensen van 45 jaar en ouder met alleen mbo-1, havo of vwo. Deze werken vaker in beroepen die krimpen en die relatief veel routinematig werk kennen. Voor deze 45-plussers zijn de uitdagingen nog groter. Dat is mooispraak voor slechtere employability van deze mensen, bezien vanuit hun omgeving én henzelf. Het concept van “een leven lang leren” is vermoedelijk niet of minder geland bij deze 45-plussers. Er bestaan voor hen minder passende voorzieningen. Waarschijnlijke uitstoot of degradatie benadeelt de gezondheid(sbeleving).

Het lijkt me geen speculatie dat bedrijfsartsen de komende jaren een groter aandeel oudere middengroepers in de spreekkamers zien. De beroepsbeoefenaren kunnen nagaan of ze in hun toolbox voor preventie en re-integratie al voldoende aanmoediging en advies voor scholing hebben.