Eén (?) werkgever met veel slapende dienstverbanden

De slepende issue van slapende dienstverbanden: mogelijk wezenlijke kosten ondanks de compensatieregeling, willen werkgevers eigenlijk wel een transitievergoeding geven? Een recente uitspraak van een rechter brengt nieuwe invalshoeken op.

De Wet Werk en Zekerheid van juli 2015 introduceerde de transitievergoeding. Aanvankelijk leek het anders, maar deze vergoeding is ook verplicht bij ontslag vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Bijvoorbeeld in het geval dat de werknemer een WIA-uitkering krijgt.

Vergoeding redelijk bij arbeidsongeschiktheid?

Deze verplichting voelde voor werkgevers niet rechtvaardig na twee jaar kosten voor loondoorbetaling, vervanging én re-integratie. Zo kwam in de loop van 2016 het fenomeen van slapend dienstverband op: geen beëindiging, geen loon en geen transitievergoeding. Toenmalig minister Asscher noemde het ‘onfatsoenlijk werkgeverschap’, en velen zeiden het hem na: de rechtsregels zijn niet bedoeld om werknemers in het ongewisse te houden. Vermijden van een transitievergoeding als enige reden voor het slapend houden van een dienstverband zagen en zien velen als onrechtmatig, buiten de geest van de wet waarnaar een werkgever in beginsel moet handelen. Bij procederen bleek het slapend dienstverband echter houdbaar, het mag juridisch geen slecht werkgeverschap heten. De (schaarse) jurisprudentie wees uit: er is hoogst zelden sprake van slecht werkgeverschap op basis waarvan een werkgever te dwingen is om het slapende dienstverband te beëindigen. In de verdere gang van zaken leken diverse juristen een vrije keus te suggereren tussen wel of niet ‘aangaan’ van een slapend dienstverband.

Compensatie

Minister Asscher kondigde na enige tijd een compensatieregeling aan: werkgevers die werknemers ontslaan vanwege arbeidsongeschiktheid, krijgen de transitievergoeding gecompenseerd, dat wil zeggen het bedrag dat de werkgever verschuldigd is bij ontslag direct na de 104 weken ziekteverzuim. De KoM en anderen waarschuwden nog extra: de geopperde vrijheid van keuze gaat eraan voorbij dat de transitievergoeding hoger zal zijn bij ontslag verder na die 104 weken. Zonder ontslag tikt de klok van diensttijd voor berekening van de transitievergoeding door. Ook minister Koolmees droeg dit uit. Hij betreurde dat werkgevers weliswaar de transitievergoeding bij ontslag direct na de 104 weken moesten voorschieten, maar noemde het een zekerheid dat werkgevers daarvoor gecompenseerd zouden worden. VNO-NCW en MKB-Nederland hadden opgeroepen om de verplichte transitievergoeding te betalen. Inmiddels is er zekerheid, de compensatieregeling gaat in werking per april 2020, met terugwerkende kracht voor betreffende ontslagen op of na 1 juli 2015.

Juridische voortgang

Kennelijk in het vooruitzicht van de compensatieregeling kwamen er meer procedures. Zo oordeelde de rechter in één zaak dat een terminaal zieke werknemer onevenredig hard werd getroffen door het slapende dienstverband, zodat ontslag en vergoeding wél gegeven moesten worden. Een ander geval betrof ‘arbeidsongeschiktheid in deeltijd’. Een arrest van de Hoge Raad van september 2018 stelt dat een werknemer recht heeft op betaling van de transitievergoeding vanwege een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd, zoals door blijvende maar ‘niet voltijds’ arbeidsongeschiktheid. De hoofdlijn bleef gelijk: er is zelden sprake van slecht werkgeverschap.

Een kantonrechter in Roermond heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Vanwege de onderling verschillende, zo niet tegengestelde uitspraken is er behoefte aan een richtinggevend standpunt van de Hoge Raad, als handvat voor werkgevers, werknemers en rechtspraktijk bij verdere afwikkeling van de slapende dienstverbanden. De opvatting van de het hoogste rechtscollege wordt in oktober voorzien. Er is te beredeneren dat de Raad een slapend dienstverband niet rechtmatig vindt als dat alleen gemotiveerd wordt uit vermijden van de verplichte transitievergoeding: de wetgever compenseert dat immers.

Hoeveel ‘slapers’ ?

Is er een betrouwbaar getal over het aantal slapende dienstverbanden? TV-program Een Vandaag deed in januari 2017 navraag bij grote rechtsbijstandverleners en kwam op zeker 1000 gevallen. CNV Vakmensen sprak april dit jaar van tientallen, mogelijk zelfs honderden schoonmakers ‘gevangen in een slapend dienstverband’, en duizenden in alle sectoren. De werkgeversorganisatie in de schoonmaak zei geen getallen te hebben. Aldus Google, vandaag geraadpleegd. Blijkens de toelichting van het wetsvoorstel voor compensatie is er sprake van bijna 71.000 te compenseren transitievergoedingen van gemiddeld € 13.700 over de periode juli 2015 tot het eerste uitkeringsjaar. Er is geen vermoeden welk deel daarvan slapende dienstverbanden betreft.

Veel gevallen bij één werkgever

Een advocaat blogt bij werkgeversorganisatie AWVN over een uitspraak van de kantonrechter Almelo in maart dit jaar. De werkgever argumenteert tegen ontslag van een ‘slaper’: al die dienstverbanden afwikkelen zou ruim € 900.000 kosten, wat hij niet volledig terug zou krijgen. Hier lijken slapende dienstverbanden geen sporadisch verschijnsel.

Een recente indicatie komt uit een casus bij de kantonrechter Rotterdam, 10 juli gepubliceerd. Een ‘voltijds’ arbeidsongeschikte werkneemster vordert ontslag en een transitievergoeding van haar werkgever, een gerenommeerde zorginstelling. Ze wordt niet in het gelijk gesteld. Kort gezegd: de rechter oordeelt dat er geen sprake van is dat de werkgever zich niet als goed werkgever had gedragen. Immers, de instelling wijst op een “.. niet rooskleurige financiële situatie, mede in combinatie met het feit dat sprake is van 67 slapende dienstverbanden, waardoor voorfinanciering van transitievergoedingen een te zware last is ..”.

Zo blijkt bij meer dan één werkgever het slapend dienstverband geen incidenteel fenomeen. Het is waarschijnlijk dat dit aan de orde is bij meer (zorg)werkgevers.

Financiële trubbels

Er is te ramen* dat een gemiddeld ontslag na slapend dienstverband aan de werkgever tenminste twee derde maandsalaris kost boven de te geven compensatie. Zal een werkgever daar wakker van liggen? Indien de werkgever in de ‘Rotterdam-casus’ 500 fte personeel heeft, kost de afwikkeling van 67 gevallen hem tenminste 0,7% van de totale loonsom, een substantieel bedrag voor een zorginstelling. Indien de werkgever 10 keer meer personeel heeft is het kostenpercentage 10 keer minder, en blíjft de kritiek dat dit ten koste van zorg gaat. MKB-Nederland hamert er steeds op dat de modale werkgever in Nederland zeven werknemers heeft. Voor deze werkgever zijn de kosten van afwikkeling van één zo’n gemiddeld geval tenminste 1% van de loonsom. Dat roept de vraag op of werkgevers zullen willen resp. kúnnen afwikkelen.

Hoe verder?

De uitspraak van de Hoge Raad brengt waarschijnlijk meer juridische duidelijkheid. Maar, eerder genoemde AWVN-blog noemt het opmerkelijk dat rechters een plicht tot ontslag lijken te zien omdat er een compensatieregeling bestaat. “Een dergelijke verplichting staat echter niet in de Wet compensatie transitievergoeding.” Wat zal de vakbeweging doen? Bij de ‘Rotterdam-casus’ koos ze er kennelijk voor deze werkgever niet failliet te procederen. De dilemma’s voor werkgevers en bonden kunnen levensgroot blijven. We wensen partijen veel wijsheid.

Is bovenstaande komkommernieuws? Waarschijnlijk niet, maar de brandende vraag is:

hoeveel slapende dienstverbanden zijn er ?

 

Met dank aan Igor Janssen en Pascal Willems voor informatie die tot verdere research leidde

De uitspraak van de kantonrechter Rotterdam, 19 juni 2019, gepubliceerd 10 juli https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2019:4911

De AWVN: https://www.awvn.nl/blog/arbeidsrecht/slapend-dienstverband-transitievergoeding/

* Toelichting raming  Slapende dienstverbanden konden ontstaan per 1-7-15, datum werking van de WWZ, tot stel 1-7-19; dit op elk moment in die vier jaar; dus hebben ze op 1-7-19 een gemiddelde duur van 2 jaar. Dat betekent als transitievergoeding in ieder geval twee maal een derde maandsalaris. Voor elk dienstjaar ná 10 dienstjaren is de vergoeding een half maandsalaris; dat is de meer waarschijnlijke berekeningsgrondslag gezien de hogere leeftijd van (dreigend) arbeidsongeschikten. Tot 1 januari 2020 geldt (als overgangsmaatregel) voor oudere werknemers nog weer een hogere transitievergoeding; daar is geen getal aan te verbinden, het blijft hier dus buiten beschouwing. Een en ander leidt tot bovenstaande gemiddelden. Een mogelijke afwijking van het gemiddelde is er bij bijvoorbeeld de modale werkgever met zeven werknemers: voor een ‘slaper’ zullen de kosten van afwikkeling maximaal 2,4% van de loonsom kunnen zijn.

Leave a comment

Your email address will not be published.


*